Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0055.
16. Bij overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doet de Hoge Raad de zaak in beginsel zelf af. Een belemmering om thans de zaak zonder verwijzing af te doen is dat niet duidelijk is op welke wijze het Hof de overschrijding van de redelijke termijn voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep in de strafoplegging heeft verdisconteerd(1). Daartegenover staat dat de opgelegde straf - twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf -zodanig beperkt is, dat verdachte door dit verzuim redelijkerwijs niet in enig belang kan zijn geschaad. In die omstandigheden meen ik dat de Hoge Raad de zaak kan afdoen door de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase te bepalen. Gelet op de duur van de opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf en de omstandigheid dat zonder een dergelijke vertraging de zaak een klein jaar geleden zou zijn afgedaan, ligt vermindering van de duur van de proeftijd daarbij het meest voor de hand.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/11a3eceb9597bd4be1d19baeed96418e89d1990890a44fd6307c9c8fa7350fc5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 11a3eceb9597bd4be1d19baeed96418e89d1990890a44fd6307c9c8fa7350fc5, en de alinea staat in dat document op bytes 12228 tot 13219.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/11a3eceb9597bd4be1d19baeed96418e89d1990890a44fd6307c9c8fa7350fc5 | shasum -a 256