Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 maart 2002

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 15 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0155.

7 G.A. van der Veen, Bodemsanering en ongerechtvaardigde verrijking, Bouwrecht 1995, p. 817; Van Acht/Bauw, Milieuprivaatrecht (tweede druk 1996), p. 150 lijken hierover anders te oordelen (althans in die zin dat zij menen dat het criterium via de in art. 6:212 opgenomen clausule "voor zover dit redelijk is" tot gelding zou moeten komen), maar zij hebben daarbij het oog op gevallen waarin de grond wordt verworven door iemand die de bedoelde wetenschap niet heeft. In andere gevallen zal toch in elk geval een onderscheid gemaakt moeten worden al naar gelang de bodemverontreiniging al dan niet aan de eigenaar is toe te rekenen; vgl. A-G Loeb in zijn conclusie (nr. 3.10) voor HR 24 mei 1995, NJ 1996, 744. Zie ook Van der Wilt, Het saneringsbevel in de Wet bodembescherming (diss. UvA 2000), p. 173 e.v.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/88cb1f5f021477e7e326748081cf74d1a221070e612ba1a97002e3079aaf5455. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 88cb1f5f021477e7e326748081cf74d1a221070e612ba1a97002e3079aaf5455, en de alinea staat in dat document op bytes 16509 tot 17331.