Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002

Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0553.

10. Het in HR NJ 1994, 408 overwogene zal aldus moeten worden verstaan dat met "de zich in staat van likwidatie bevindende rechtspersoon of ingevolge art. 51 Sr daarmee gelijk gestelde entiteit" niet slechts is gedoeld op het voorgeborchte van de vennootschappelijke vergetelheid waarop art. 2:19, vijfde lid BW ziet (waarin de schimmen van de in Boek 2 geregelde rechtspersonen nog als juridische realiteit rondwaren voor zover dat voor de vereffening van hun vermogen nodig is), maar ook op de gevallen waarin na ontbinding van een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap de vereffening van het daarin ondergebrachte vermogen (vanaf die ontbinding aan te merken als een vrije gemeenschap van goederen) nog niet is afgewikkeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcfa9b86e7dc98edf03eb7856732a349276815e4ad11e15d6ee58d132c37a6a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcfa9b86e7dc98edf03eb7856732a349276815e4ad11e15d6ee58d132c37a6a0, en de alinea staat in dat document op bytes 15451 tot 16218.