Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002
Alinea 63 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0553.
22. Met het oog op het voorgaande meen ik dat aan beoordeling van de middelen, overeenkomstig het in HR NJ 1994, 408 overwogene, ten grondslag moet liggen dat, indien vastgesteld moet worden dat de als verdachte aangemerkte rechtspersoon, of daarmee ingevolge art. 51, derde lid, daaraan gelijkgestelde entiteit, is ontbonden op het moment waarop de vervolging van die rechtspersoon of entiteit is aangevangen, het Openbaar Ministerie in die vervolging slechts dan niet-ontvankelijk is, indien
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcfa9b86e7dc98edf03eb7856732a349276815e4ad11e15d6ee58d132c37a6a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcfa9b86e7dc98edf03eb7856732a349276815e4ad11e15d6ee58d132c37a6a0, en de alinea staat in dat document op bytes 26303 tot 26809.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dcfa9b86e7dc98edf03eb7856732a349276815e4ad11e15d6ee58d132c37a6a0 | shasum -a 256