Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0645.

2.6. Verdraagt het voorgaande zich met HR 12 februari 1999, NJ 1999, 643 m.nt. PAS? In die zaak had de rechtbank aangenomen dat er sprake was van een dringende reden voor het ontslag; niettemin had de rechtbank het ontslag gekwalificeerd als "kennelijk onredelijk" omdat de gevolgen van de beëindiging voor de werknemer te ernstig waren in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze laatste beslissing hield geen stand. De Hoge Raad was van oordeel dat de vraag of de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij beëindiging, behoort te worden beantwoord in het kader van de vraag of sprake is van een "dringende reden". Wordt eenmaal aangenomen dat er een dringende reden voor ontslag is, dan is volgens de Hoge Raad geen plaats meer voor het oordeel dat het ontslag niettemin kennelijk onredelijk is. Die situatie doet zich in het huidige geval niet voor: de rechter heeft niet vastgesteld dat de werkgever een dringende reden voor ontslag had. De intrekking van het beroep op de nietigheid van het ontslag impliceert, als gezegd, niet een erkenning van de juistheid van de ontslaggrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7d47f4701190582efa35e12b2d5c195e127d3cf97e5e2b3d3ee991b1c038dc79. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7d47f4701190582efa35e12b2d5c195e127d3cf97e5e2b3d3ee991b1c038dc79, en de alinea staat in dat document op bytes 18732 tot 19985.