Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0647.

16. Bij het eerstbedoelde bezwaar mist Siplast belang. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof, door (overigens geheel in overeenstemming met wat algemeen wordt geleerd; zie bijv. H.E. Ras, TPR 1975, blz. 876; J.P. Verheul, Rechtsmacht, deel 1, 1982, blz. 61; H. Gaudemet-Tallon, Les conventions de Bruxelles et de Lugano, 2e ed. 1996, blz. 167; J. Kropholler, Europäisches Zivilprozeßrecht, 6. Aufl. 1998, blz. 29;) te oordelen dat de uitzonderingsbepaling van art. 6, aanhef en sub 2, ziet op misbruik van recht uit het oog heeft verloren dat de uitzondering zich voordoet, indien bij Instala en/of Delbouw de bedoeling heeft voorgezeten om de hoofdzaak slechts aanhangig te maken om Siplast af te trekken van de rechter die art. 2 haar toekent. Dat het Hof bij de beoordeling van de vraag of de uitzondering zich voordoet van belang heeft geoordeeld of Instala er recht en belang bij had haar contractspartner Delbouw in rechte te betrekken en of Delbouw in redelijkheid heeft kunnen besluiten om af te zien van het voeren van verweer tegen de door Instala tegen haar ingestelde vordering, duidt niet op een door het Hof toegepaste verenging van het door art. 6, aanhef en sub 2, gestelde criterium, doch wijst er slechts op dat het Hof heeft geoordeeld dat het antwoord op de vraag of sprake is van de bedoeling bij Instala en/of Delbouw om Siplast van de bevoegde rechter af te trekken moet blijken uit de gedragingen van Instala en/of Delbouw of uit de omstandigheden waaronder die gedragingen plaatsvonden. Dat is niet onbegrijpelijk en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting: bij het beoordelen van de vraag of Instala en/of Delbouw slechts de toeleg hebben gehad om Siplast van de bevoegde rechter af te trekken, zal, bij ontkenning van die toeleg en bij gebreke van de mogelijkheid om in de psyche van de bestuurders van Instala en/of Delbouw te kijken, die toeleg moeten blijken uit het (proces-)gedrag van Instala en/of Delbouw en de begeleidende omstandigheden. Vgl. met betrekking tot het met art. 6, aanhef en sub a, EEX vergelijkbare art. 74 (oud) Rv Hof 's-Gravenhage 15 april 1955, NJ 1955, 625 en Rb Rotterdam 20 december 1976, NJ 1978, 282.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4b64bb19a6b34b97f3ee12668a7f35b8a4a16d1eae64ae4e4b67eb2fd70f0193. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4b64bb19a6b34b97f3ee12668a7f35b8a4a16d1eae64ae4e4b67eb2fd70f0193, en de alinea staat in dat document op bytes 16118 tot 18313.