Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0651.

14) Voor dit onderdeel van de rechterlijke taak lijkt mij de eerste stelling van het middel - te parafraseren als: de rechter spreekt alleen langs de weg van zijn oordeel, en mag niet tot andere uitingen over een door hem beoordeelde zaak worden genoodzaakt - niet houdbaar. Als de rechter bepaalde feitelijkheden heeft waargenomen die vervolgens (althans volgens een van de partijen) niet, of niet juist in beslissingen of andere stukken zijn weergegeven, komt het mij onwerkelijk voor dat de appelrechter verplicht zou zijn om zich daarover (ingeval van debat daarover in appel) zelfstandig een oordeel te vormen, zonder de rechter die die feitelijkheden in de eerste aanleg heeft waargenomen zelfs maar te mogen horen. Ik geef de steller van het middel graag toe dat de appelrechter zich, ook in dit opzicht, een zelfstandig oordeel behoort te vormen - maar waarom zou hij bij het vormen van dat oordeel moeten voorbijgaan aan de meest in aanmerking komende bron van feitelijke informatie, waar het van hem gevraagde oordeel op moet berusten?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33, en de alinea staat in dat document op bytes 15923 tot 16981.