Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002
Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0651.
15) Ik meen dat de hiervóór verdedigde zienswijze nadere steun vindt in de recente rechtspraak van de Hoge Raad over de vraag wanneer een rechter bevoegd is om strafrechtelijke aangifte te doen van feiten waarvan hij kennis heeft gekregen (en/of ten aanzien waarvan bij hem verdenkingen zijn gerezen) in verband met de behandeling, te zijnen overstaan, van een civiel geding(7). Mij ervan bewust dat ik daarmee geen recht doe aan de nuanceringen die deze rechtspraak te zien geeft, vermeld ik dat daaruit blijkt dat de rechter onder omstandigheden bevoegd is om strafrechtelijke aangifte te doen ten laste van een partij bij een (civiel) geding dat te zijnen overstaan loopt, op basis van informatie die de rechter in het kader van dat geding heeft opgedaan. Als aanvaarding van zo'n bevoegdheid niet persé onverenigbaar is met de aard van de rechterlijke functie (en ook niet met de hierna te bespreken rechterlijke onpartijdigheid), lijkt mij dat dat niet anders kan zijn voor de (niet bevoegdheid, maar) verplichting tot het afleggen van een verklaring als getuige.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33, en de alinea staat in dat document op bytes 17031 tot 18115.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33 | shasum -a 256