Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0651.

24) Ook de regels omtrent het bewijsaanbod bevestigen de indruk dat de door het middel(onderdeel) voorgestane benadering niet aanvaardbaar is. Ik denk dan met name aan de regel dat bij het al-dan-niet honoreren van een bewijsaanbod niet mag worden vooruitgelopen op waardering van het (dan dus nog te leveren) bewijs(12). Het lijkt mij een anomalie dat het dan - zoals het middel hier effectief verdedigt - wèl geoorloofd zou zijn om bij de beoordeling van de verplichting van individuele getuigen om aan bewijslevering mee te werken, rekening te houden met de (mogelijke) relevantie van wat de betreffende getuige zal (kunnen) verklaren, of in elk geval met de mogelijkheid dat de getuige niets zal (kunnen) verklaren. Dat heeft mij te veel weg van het met de ene hand geven en met de andere hand weer afnemen, om als goed recht te kunnen worden aangemerkt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33, en de alinea staat in dat document op bytes 23644 tot 24517.