Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0651.

26) Ik denk bovendien dat het middel de betreffende overweging van de rechter-commissaris stelliger leest, dan die door ZEA bedoeld is. De rechter-commissaris zal niet bedoeld hebben dat het laatste woord over de vraag of een procespartij een legitiem belang heeft bij het verhoor van een getuige, niet aan de rechter is. Ik begrijp deze overweging zo, dat de rechter in het algemeen bij de beoordeling of er van een legitiem belang sprake is, het oordeel van de partij in kwestie tot richtsnoer zal kunnen nemen, en slechts in uitzonderlijke gevallen die in de misbruik-van-recht-categorie thuishoren, aanleiding zal hebben om anders te oordelen. Dat uitgangspunt lijkt mij, zoals al aangegeven, deugdelijk. Wat de rechter-commissaris aldus heeft overwogen is (ook) niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c27d688ed18724c26b7a077080fb25b94a83db8a97c687ffdce25bdb0fb4fc33, en de alinea staat in dat document op bytes 25181 tot 25981.