Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2002
Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0655.
2.2. Voor zover de klacht en de toelichting berusten op de gedachte dat het hof een getuige heeft gehoord op een andere wijze dan voorgeschreven in de art. 192 e.v. Rv, mist zij feitelijke grondslag. Zowel het proces-verbaal van de terechtzitting als het bestreden arrest laten er geen twijfel over bestaan dat het hof [betrokkene 1] heeft beschouwd als één van de personen die ter terechtzitting de Staat vertegenwoordigden en namens deze opheldering konden verschaffen over het standpunt van de Staat. Het hof heeft de verklaring niet behandeld als een onder ede afgelegde getuigenverklaring, maar slechts als een partijverklaring.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/213456dfa46ad1952255a4a1b6e4ffda85d628d0818d75d289a3d6e17e979027. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 213456dfa46ad1952255a4a1b6e4ffda85d628d0818d75d289a3d6e17e979027, en de alinea staat in dat document op bytes 11551 tot 12199.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/213456dfa46ad1952255a4a1b6e4ffda85d628d0818d75d289a3d6e17e979027 | shasum -a 256