Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0739.

2.2 Het eerste onderdeel strekt ten betoge dat het hof uit de in rov. 3 opgesomde feiten in verband met de omstandigheid dat de man sinds 1 november 1994 niet meer in het levensonderhoud van de vrouw bijdraagt, ten onrechte niet het vermoeden heeft geput dat er behoudens tegenbewijs door de vrouw sprake is van samenleving als bedoeld in art. 1:160 BW, althans in verband met die feiten en omstandigheden de vrouw ten onrechte niet heeft belast met het bewijs dat er van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijk huishouden geen sprake is. Het onderdeel voert daartoe aan, dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen, dat, wanneer vaststaat dat de vrouw en [betrokkene 1] samenwonen, de vrouw zal moeten bewijzen dat er geen sprake is van wederzijdse verzorging en van een gemeenschappelijk huishouden, nu deze zich binnenshuis afspelen en derden hierop geen zicht hebben.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2250c33edab52633ba140fc2828e8ca3e2925c4479970342f14848e4b2b3675b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2250c33edab52633ba140fc2828e8ca3e2925c4479970342f14848e4b2b3675b, en de alinea staat in dat document op bytes 10977 tot 11881.