Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0739.

2.5 Een rechterlijk vermoeden is een oordeel over het bewijs.(5) Dat oordeel is aan de feitenrechter voorbehouden. In cassatie kan in beginsel niet over bewijswaardering worden geklaagd. Dat geldt ook voor het met waarderingen van feitelijke aard verweven oordeel of wel of niet voldoende grond voor een rechterlijk vermoeden aanwezig is.(6) Voor het geval dat het onderdeel mede met een motiveringsklacht tegen het aangevochten oordeel beoogt op te komen (mr. Kist spreekt in zijn schriftelijke toelichting in verband met het eerste onderdeel overigens slechts van een onjuiste rechtsopvatting waarvan het hof blijk zou hebben gegeven), acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof géén rechterlijk vermoeden heeft aangenomen. Daarbij is het volgende van belang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2250c33edab52633ba140fc2828e8ca3e2925c4479970342f14848e4b2b3675b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2250c33edab52633ba140fc2828e8ca3e2925c4479970342f14848e4b2b3675b, en de alinea staat in dat document op bytes 14289 tot 15062.