Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0739.

2.7 Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof geen rechterlijk vermoeden heeft aangenomen, óók niet in het licht van de door het onderdeel benadrukte omstandigheid dat de man inmiddels niet meer in het levensonderhoud van de vrouw bijdraagt (en de vrouw evenmin door arbeid in haar eigen levensonderhoud voorziet). Ook op grond van deze omstandigheid behoefde het hof niet voorshands voor waar te houden dat [betrokkene 1] en de vrouw elkaar wederzijds verzorgen. Het hof kon daarbij mede betekenis toekennen aan het feit dat de vrouw heeft gesteld dat zij op haar spaargelden heeft ingeteerd en dat haar ouders, die (eveneens) bij haar inwonen, in haar levensonderhoud bijdragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2250c33edab52633ba140fc2828e8ca3e2925c4479970342f14848e4b2b3675b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2250c33edab52633ba140fc2828e8ca3e2925c4479970342f14848e4b2b3675b, en de alinea staat in dat document op bytes 18351 tot 19048.