Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0748.

1.13 Het hof heeft in zijn beschikking van 16 augustus 2001 vooropgesteld dat tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat in de onderneming van de man geen belichaamde goodwill aanwezig is en dat van zulke goodwill overigens ook niet is gebleken. Onbelichaamde goodwill geldt volgens het hof in het algemeen niet als een goed dat voor verdeling in aanmerking komt, als deze goodwill de niet overdraagbare en ook bij overlijden niet te realiseren waarde vertegenwoordigt van toekomstig inkomen dat nog niet is verdiend en waarop nog geen afdwingbaar recht bestaat. Voor zijn opvatting heeft het hof zich beroepen op wat na het arrest van de Hoge Raad van 9 maart 1951, NJ 1952, 46, m.nt. Ph.A.N.H., als vaste rechtspraak zou gelden. Omdat eventueel aanwezige onbelichaamde goodwill aan de genoemde criteria zou voldoen, heeft het hof geoordeeld dat zulke goodwill geen goed in de zin van art. 3:1 BW en mitsdien geen activum van de huwelijksgoederengemeenschap vormt (rov. 4.4).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb03b445a567eec2a95593792bbff914a9c13bee930f52d65017cfcc13e54d4b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb03b445a567eec2a95593792bbff914a9c13bee930f52d65017cfcc13e54d4b, en de alinea staat in dat document op bytes 14625 tot 15620.