Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002

Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0748.

2.16 Hiervoor kwam al aan de orde, dat er in de literatuur wel enige bijval is voor de opvatting, dat niet aan de persoon van de deelgenoot verbonden goodwill die voldoet aan de criteria voor verrekening, te dien einde als "goed" in de zin van art. 1:94 lid 1 BW moet worden beschouwd. Ik sluit niet uit dat ook het hof die opvatting voor ogen heeft gestaan. Het oordeel van het hof dat in casu eventueel aanwezige onbelichaamde goodwill géén goed en mitsdien géén activum van de huwelijksgoederengemeenschap vormt, steunt blijkens de slotzin van rov. 4.4 immers op de bijzondere kenmerken van die goodwill, die volgens het hof aan verrekening daarvan in de weg staan.(30) Dat laat ruimte het onderdeel ook zo op te vatten, dat het aan de orde stelt of de door de vrouw gestelde goodwill aan de door het hof bedoelde criteria beantwoordt, en, zo ja, of die goodwill in beginsel al om die reden van verrekening is uitgesloten. Ook aldus opgevat kan het onderdeel m.i. echter niet tot cassatie leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb03b445a567eec2a95593792bbff914a9c13bee930f52d65017cfcc13e54d4b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb03b445a567eec2a95593792bbff914a9c13bee930f52d65017cfcc13e54d4b, en de alinea staat in dat document op bytes 37397 tot 38413.