Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002
Alinea 79 Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0748.
2.23 Voor zover het hof heeft onderkend dat de vrouw de redelijkheid en billijkheid aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, acht de vrouw het onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat zij niet met voldoende bepaaldheid heeft gesteld dat haar op grond van redelijkheid en billijkheid een deel van de waarde van de goodwill toekomt. In cassatie wijst de vrouw er (onder meer) op dat de door haar gestelde goodwill zodanige overeenkomsten vertoont met een goed in de zin van art . 3:1 BW, dat verrekening van de waarde daarvan geboden kan zijn. Voorts wijst de vrouw nog op haar stelling dat de man in de jaren vanaf 1994 - in de vorm van een korting op zijn winstaandeel - een vergoeding voor zijn deelname in de goodwill van de maatschap heeft betaald. Daaraan heeft de vrouw financieel bijgedragen, aangezien de inkomsten van de man vielen in de algehele gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd. De man is aldus in staat gesteld in de toekomst door middel van de goodwill een hoger inkomen te verwerven, waarin de vrouw ten gevolge van de echtscheiding niet zal delen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb03b445a567eec2a95593792bbff914a9c13bee930f52d65017cfcc13e54d4b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb03b445a567eec2a95593792bbff914a9c13bee930f52d65017cfcc13e54d4b, en de alinea staat in dat document op bytes 42122 tot 43228.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bb03b445a567eec2a95593792bbff914a9c13bee930f52d65017cfcc13e54d4b | shasum -a 256