Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2002
Alinea 112 Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1182.
3.26. Zoals hierboven reeds overwogen, is de enige wettelijke eis die aan de schatting van het voordeel, zowel onder de oude als de nieuwe wet, wordt gesteld dat deze berust op wettige bewijsmiddelen. Anders dan het hof kennelijk meent heeft de wetgever evenwel geen voorkeur uitgesproken voor het ene of het andere bewijsmiddel.(56) Van geval tot geval zal bepaald kunnen worden welk bewijsmiddel, en dus welke berekenmethode het meest voor de hand ligt en het meest betrouwbare resultaat zal opleveren. Dat kan zijn de verklaring van de veroordeelde, een getuigeverklaring, de boekhouding van de veroordeelde of diens organisatie, feiten van algemene bekendheid(57), maar ook van een door daartoe gespecialiseerde (opsporings)ambtenaren opgemaakt financieel rapport, zoals het in de onderhavige zaak gepresenteerde BFO-rapport. Dit is een geschrift als bedoeld in art. 344 lid 1 sub 5 Sv.(58)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f456e820704a1286ddfaaf95e0c607104d419760747ac5ed0c79334fa3733f7a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f456e820704a1286ddfaaf95e0c607104d419760747ac5ed0c79334fa3733f7a, en de alinea staat in dat document op bytes 57005 tot 57913.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f456e820704a1286ddfaaf95e0c607104d419760747ac5ed0c79334fa3733f7a | shasum -a 256