Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2002

Alinea 124 Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1182.

Maar het EHRM herhaalt dat het gebruikmaken van vermoedens niet in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM "as long as States remain within certain limits, taking into account the importance of what is at stake and maintaining the rights of the defence." Het EHRM wijst er dan op dat het vermoeden waarvan de Engelse rechter is uitgegaan betrekking had op de hoogte van het te ontnemen bedrag en er niet toe diende de vaststelling van het daderschap aan andere drugsdelicten te vergemakkelijken. Voorts wijst het EHRM nog op allerlei waarborgen die de positie van Phillips in de procedure beschermden. Borgers merkt op dat de mogelijkheid bestaat dat het gebruikmaken van vermoedens in ontnemingszaken gelet op de criteria in de zaak Phillips eerder civielrechtelijk dan strafrechtelijk is georienteerd en daarom aan een lichtere maatstaf kan worden getoetst. Hij trekt als voorlopige conclusie dat het EHRM de toetsing aan de onschuldpresumptie minder streng lijkt te hebben uitgevoerd dan in andere zaken, vooral waar het gaat om de stap van de vaststelling van de omvang van het vermogen naar de misdadige herkomst ervan.(65)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f456e820704a1286ddfaaf95e0c607104d419760747ac5ed0c79334fa3733f7a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f456e820704a1286ddfaaf95e0c607104d419760747ac5ed0c79334fa3733f7a, en de alinea staat in dat document op bytes 64202 tot 65335.