Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 mei 2002

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 21 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1287.

7. Het eerste onder 6 genoemde verweer stelt twee rechtsvragen aan de orde. Ten eerste of aan de feitenrechter ter beoordeling is of een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was tegen een bepaalde persoon op het moment dat een gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris werd ingesteld, waarin deze persoon als verdachte werd aangewezen. Ten tweede, of de feitenrechter op een verweer dat het gerechtelijk vooronderzoek ten onrechte op naam van de verdachte is ingesteld, moet responderen, indien hij geen resultaten daarvan voor het bewijs gebruikt. Onder resultaten begrijp ik de onmiddellijke resultaten in de vorm van verklaringen naar aanleiding van tijdens het gvo gehouden verhoren, weergaven van telefoongesprekken etc. , maar ook de middellijke resultaten, dwz het bewijsmateriaal dat is voortgevloeid uit die onmiddellijke resultaten, zij het met de beperking tot bewijsmateriaal dat de verdachte zelf verschaft heeft en voor zover de causaliteit tussen hetgeen in het gvo is geschied en het middellijk resultaat overwegend is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a7827ffdcd4c9fda386ba9e0110d42303d8afbfe0ab647975484bca4e8ed7a31. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a7827ffdcd4c9fda386ba9e0110d42303d8afbfe0ab647975484bca4e8ed7a31, en de alinea staat in dat document op bytes 6352 tot 7415.