Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 mei 2002

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 21 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1287.

10. Melai-Groenhuijsen geeft in de commentaar op art. 29 Sv (aant. 15) voorbeelden van gevallen waarin pas gaandeweg tegen een door de politie gehoorde persoon zoveel verdenking rijst dat deze op een later moment als verdachte wordt beschouwd en behandeld. In zulke gevallen staat het ontbreken van de cautie bij de eerdere verhoren niet in de weg aan het gebruik van de bij die verhoren verkregen verklaringen tot bewijs. Echter, wat hiervan zij: het hof heeft enkel de meergenoemde verklaring van verzoekster voor het bewijs gebruikt die zij, na de cautie gekregen te hebben, heeft afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, alwaar zij werd terzijde gestaan door haar raadsvrouw. Verzoekster heeft derhalve geen belang bij haar klacht omtrent de politieverhoren (cf. Spronken, T&C Sv, 4e, aant. 5e op art. 29). Responsieplichtig acht ik dit verweer evenmin.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a7827ffdcd4c9fda386ba9e0110d42303d8afbfe0ab647975484bca4e8ed7a31. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a7827ffdcd4c9fda386ba9e0110d42303d8afbfe0ab647975484bca4e8ed7a31, en de alinea staat in dat document op bytes 8504 tot 9383.