Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2002

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1321.

Bij zijn oordeel of de behandeling van de strafzaak zowel in haar verschillende stadia als over het geheel genomen binnen een redelijke termijn en zonder onredelijke vertraging als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM plaatsvindt, dient het hof alle daartoe in aanmerking komende omstandigheden te betrekken, zoals de ingewikkeldheid van de zaak en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Naar het oordeel van het hof ligt tussen het tijdstip van het eerste verhoor van verdachte op 12 augustus 1997 en de behandeling in hoger beroep over het geheel genomen, en tussen het instellen van het hoger beroep op 5 januari 1999 en de behandeling van dat hoger beroep in het bijzonder, een zodanig tijdsverloop dat sprake is van schending van de hiervoor bedoelde bepaling, die berechting binnen een redelijke termijn bedoelt te waarborgen. De overschrijding van de desbetreffende termijn is echter -gelet op het belang van de gemeenschap bij normhandhaving door berechting- niet van dien aard dat daarom het Openbaar Ministerie niet in zijn strafvervolging kan worden ontvangen. Wel zal het hof bij strafoplegging met de schending van de verdragsbepaling als na te melden rekening houden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6e053a57ddea5b2ca206710e25658f75cc81b31fd69276e83b7dabbc336b59fb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6e053a57ddea5b2ca206710e25658f75cc81b31fd69276e83b7dabbc336b59fb, en de alinea staat in dat document op bytes 7158 tot 8377.