Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002
Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1532.
2.15 Ad b) Het hof heeft onderzocht of [eiser 1] toerekenbaar is tekortgeschoten bij toepassing van de methode van palpatoire lokalisatie (zie hiervoor, nrs. 2.6-2.10) en is tot de conclusie gekomen dat dit het geval is. Naar mijn mening heeft het hof zijn oordeel voldoende gemotiveerd aan de hand van de drie, in rov. 4.9 genoemde omstandigheden, die kennelijk in onderling verband moeten worden beschouwd. Dat foutieve bepalingen volgens de palpatoire methode hoogstzelden voorkomen, is in verband met het gegeven dat bij [verweerder] sprake was van een normale wervelkolom en dat er geen enkele reden is waarom bij hem het niveau L3-L4 niet eenvoudig zou zijn te bepalen, alleszins relevant. Het geringe voorkomen van onjuiste bepalingen volgens de palpatoire methode wijst erop dat die methode slechts in bijzondere gevallen tot een onjuiste bepaling leidt, terwijl een bijzonder geval zich in casu niet voordeed. Deze gedachtegang is niet onbegrijpelijk.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4fd7345f9e24cfced14321c9adf4d0a774db31742323499efa2166791040fcc0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4fd7345f9e24cfced14321c9adf4d0a774db31742323499efa2166791040fcc0, en de alinea staat in dat document op bytes 30305 tot 31278.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4fd7345f9e24cfced14321c9adf4d0a774db31742323499efa2166791040fcc0 | shasum -a 256