Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1533.

2.22 Subonderdeel 1.7 klaagt, dat, waar de rechtbank al de individuele omstandigheden van [eiser] in aanmerking heeft genomen, zij dat op ephemere, volstrekt onvoldoende wijze heeft gedaan. Het subonderdeel ziet er mijns inziens aan voorbij, dat de rechtbank niet meer en geen andere individuele omstandigheden in haar oordeel kon betrekken, dan die welke door [eiser] waren gesteld. De klacht van het subonderdeel mist doel, waar [eiser] zelf de ontoereikendheid van het Sociaal Plan niet nader heeft geadstrueerd en niet op meer en andere bijzondere (en tot een afwijking van het Sociaal Plan nopende) omstandigheden aan zijn zijde heeft gewezen. Dat de stellingen van de werknemer de omvang van de onderzoeksplicht van de rechter bepalen, kan ook worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 1998 waarin werd geoordeeld, dat bij de beoordeling van de vraag of een ontslag kennelijk onredelijk is, alle door de werknemer aangevoerde en door de rechter juist bevonden omstandigheden tezamen en in onderling verband beschouwd, in aanmerking dienen te worden genomen.(24)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f18e67c744e6d4e18af7daec03dc12c360d87a19ffa88b7679b09db16b60897d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f18e67c744e6d4e18af7daec03dc12c360d87a19ffa88b7679b09db16b60897d, en de alinea staat in dat document op bytes 34839 tot 35941.