Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2002

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1545.

19. Dit brengt overigens niet mee dat bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een vordering in kort geding tot betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie in gevallen waarin de bodemprocedure reeds aanhangig is bij het gerecht van een andere verdragsstaat steeds afstuit op art. 21 EEX. In een zodanig geval blijft de bevoegdheid op grond van art. 24 EEX om voorlopige en bewarende maatregelen te treffen immers onverlet. Bij bevoegdheid op grond van art. 24 EEX kan veroordeling tot betaling van een voorschot echter alleen als een voorlopige of bewarende maatregel in de zin van dat artikel worden aangemerkt, indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in r.o. 47 van de Van Uden-uitspraak: gegarandeerd moet zijn dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald indien de eiser in het bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld, en de gevorderde maatregel moet betrekking hebben op bepaalde vermogensbestanddelen van de verweerder die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter (zullen) bevinden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd7d85c74ff37dd3eca7f6cdf96c10b5f99b371547f806d99da35c182742f317. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd7d85c74ff37dd3eca7f6cdf96c10b5f99b371547f806d99da35c182742f317, en de alinea staat in dat document op bytes 25622 tot 26723.