Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1547.

2.1. De stellingen van partijen bouwen voort op HR 26 juni 1998, NJ 1998, 745 m.nt. PvS (mr. Aerts q.q./ABN Amro, ook wel aangeduid als: het Rijkaart-arrest). De relevante wettelijke bepalingen zijn de navolgende. Art. 3:277 lid 1 BW bepaalt dat schuldeisers onderling een gelijk recht hebben om, na voldoening van de kosten van executie, uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang. Art. 3:278 BW bepaalt vervolgens dat voorrang voortvloeit uit pand, hypotheek en voorrecht en uit de andere in de wet aangegeven gronden. Voorrechten ontstaan alleen uit de wet. Art. 3:279 BW voegt daaraan toe dat pand en hypotheek boven voorrecht gaan, tenzij de wet anders bepaalt. Art. 21 Invorderingswet 1990 bevat zo'n andersluidende bepaling. Art. 21 luidt, voor zover in dit geschil van belang:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbb4b3407b21fa608497045ce91c1f47e6b6e32eaddd7ce1836b3ef0a67028aa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbb4b3407b21fa608497045ce91c1f47e6b6e32eaddd7ce1836b3ef0a67028aa, en de alinea staat in dat document op bytes 7061 tot 7987.