Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2098.

16. Nu enerzijds al ter terechtzitting van 28 maart 2000 door en namens verzoeker verweer was gevoerd tegen de vordering, waarbij de raadsman te kennen gaf dat de zaak wat hem betrof op die terechtzitting zou worden afgedaan, anderzijds niet aan de orde kon zijn dat de behandeling in verband met de toepassing van voorlopige hechtenis binnen een bepaalde termijn moest worden voortgezet, en ook overigens niet valt in te zien waarom de Rechtbank zich genoodzaakt kan hebben gezien een nadere terechtzitting vast te stellen die niet de gelegenheid zou geven de inhoudelijke behandeling voort te zetten indien daar reden voor zou blijken te zijn, ligt het wel voor de hand om de in het proces-verbaal van die terechtzitting opgenomen beslissing aldus te verstaan dat met de woorden 'pro forma' is gedoeld op een terechtzitting die in beginsel slechts zou dienen om het onderzoek na het indienen van een schriftelijke toelichting door de officier van justitie, en desverkiezend een schriftelijke reactie door de verdediging, te sluiten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2828487bf0a0dece64058a0a9080b01445dbcd3ab2bb7275c041375b0568e08. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2828487bf0a0dece64058a0a9080b01445dbcd3ab2bb7275c041375b0568e08, en de alinea staat in dat document op bytes 18793 tot 19840.