Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2002

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2099.

3.10. In HR NJ 1999, 73 en 74 heeft de Hoge Raad het arrest uit 1994 aangevuld en overwogen dat de kwalificatie "in belangrijke mate" aldus moet worden begrepen "dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit bevestigd wordt door ander bewijsmateriaal". Knigge meent dat deze formulering niet zo mag worden gelezen dat de vereiste steun reeds voorhanden is zodra de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Hij noemt in dit verband "het (klassieke) voorbeeld van de wegens verkrachting vervolgde verdachte die zonder meer toegeeft met de aangeefster naar bed te zijn geweest, maar ten stelligste ontkent haar daartoe te hebben gedwongen"(9). Hij meent dat aan de ratio van het ondervragingsrecht weinig recht zou worden gedaan als van de verklaring van de aangeefster gebruik zou mogen worden gemaakt enkel omdat de betrokkenheid van de verdachte bij het beweerdelijke feit steun vindt in zijn eigen verklaring dat hij gemeenschap met de vrouw heeft gehad. Knigge is dan ook van oordeel dat het steunbewijs betrekking moet hebben op die onderdelen van de verklaring die de verdachte betwist en waarover hij de getuige aan de tand wenst te voelen. Deze benadering zou ook die van het Europese Hof zijn. Ook Schalken is die mening toegedaan.(10)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2eb88c3824ffc54d787b367fe13d7d5af5ab48c6735b81785af98c3a0d705800. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2eb88c3824ffc54d787b367fe13d7d5af5ab48c6735b81785af98c3a0d705800, en de alinea staat in dat document op bytes 16698 tot 18065.