Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2002

Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2099.

3.12. Vastgesteld moet worden dat de verklaringen van de drie aangeefsters het enige bewijsmateriaal vormen waaruit rechtstreeks kan worden afgeleid dat sprake is geweest van geweld en/of bedreiging met geweld door verzoeker waardoor de slachtoffers gedwongen zouden zijn tot het ondergaan van seksuele handelingen. Dat geweld en/of de bedreigingen daarmee zijn nu juist het wezen van het delict verkrachting. Zonder die bestanddelen zou immers slechts sprake zijn van vrijwillig seksueel contact en dat wordt door verzoeker niet ontkend. Zoals Knigge in zijn - hiervoor aangehaalde - noot onder HR NJ 1999, 74 opmerkte zou eventueel steunbewijs dus eigenlijk op die bestanddelen moeten zijn gericht. Daarmee is natuurlijk tevens de moeilijkheid gegeven van dergelijke zaken. Over het algemeen zal geen sprake zijn van een tweede getuige van een verkrachting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2eb88c3824ffc54d787b367fe13d7d5af5ab48c6735b81785af98c3a0d705800. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2eb88c3824ffc54d787b367fe13d7d5af5ab48c6735b81785af98c3a0d705800, en de alinea staat in dat document op bytes 18350 tot 19223.