Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2113.

De Rechtbank Breda stelde voorop dat uitgangspunt is dat de werkgever voor ongevallen tijdens woon-werk verkeer niet aansprakelijk is. De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het feit dat aan [eiser] een reiskostenvergoeding werd verstrekt, niet erop wijst dat het ongeval tijdens werktijd heeft plaatsgevonden. Zij oordeelde voorts dat in het midden kan blijven of, zoals [eiser] betoogt, door [verweerster] aan [eiser] een aanwijzing is gegeven in de zin van art. 20 CAO nu de positie van [eiser] feitelijk dezelfde is geweest als die van een chauffeur met een aanwijzing. Zij overwoog dat het voor een bouwvakker gebruikelijk is dat hij steeds naar een andere bouwplaats dient te rijden, dat de afstand [woonplaats]-Deventer niet zodanig is dat geen sprake is van gewoon woon-werk verkeer en dat het feit dat de werknemer geen invloed heeft op de plaats waar hij werkt en met de keuze van zijn woonplaats daarmee geen rekening heeft kunnen houden, geen aansprakelijkheid voor de werkgever vestigt voor ongevallen die door schuld van de werknemer zijn ontstaan tijdens woon-werk verkeer. Zij verbond daaraan de conclusie dat de in HR 16 oktober 1992 gegeven norm niet van toepassing is doch dat van toepassing is de norm gegeven in HR 22 januari 1999. Deze laatste norm houdt, zoals reeds gezegd, in dat de vraag of de werkgever aansprakelijk is voor ongevallen die de werknemer, ofschoon samenhangend met zijn werkzaamheden, in zijn privé situatie zijn overkomen, moet worden beantwoord naar de omstandigheden van het gegeven geval aan de hand van hetgeen de eis zich als goed werkgever te gedragen meebrengt en dat voor een bevestigende beantwoording van deze vraag slechts plaats is onder bijzondere omstandigheden. Zij concludeerde dat het specifieke gevaar dat elke verkeersdeelnemer loopt bij woon-werk-verkeer geen bijzondere omstandigheid is. Zij overwoog dat vaststaat dat [eiser] een ruime vergoeding ontving en dat niet is gesteld of gebleken dat de thans ontstane schade met deze vergoeding door [eiser] niet had kunnen worden verzekerd. Niet is betwist, aldus de Rechtbank, dat [verweerster] [eiser] niet erop heeft gewezen dat hij zich diende te verzekeren. De Rechtbank oordeelde dat het achterwege laten van een dergelijke mededeling niet in strijd is met goed werkgeverschap. Zij overwoog ten slotte dat anticipatie op het bepaalde in het nieuw voorgestelde art. 7:658a BW niet mogelijk is nu het desbetreffende wetsvoorstel inmiddels is ingetrokken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8dafaeef3b8da96763dcbca5ffe482e700bfe3ae1bee512840819e7d944452c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8dafaeef3b8da96763dcbca5ffe482e700bfe3ae1bee512840819e7d944452c, en de alinea staat in dat document op bytes 23080 tot 25568.