Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2113.
11. Het eerste middel betoogt dat de Rechtbank met haar oordeel dat "het ongeval niet tijdens werktijd of bij de uitoefening van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden en het bepaalde in artikel 7:658 BW (dus) niet van toepassing is" uitgaat van een onjuiste, althans te enge lezing van het bepaalde in art. 7:658 BW. Het tweede middel strekt ten betoge dat de Rechtbank eraan voorbijziet dat het onderhavige geval wel degelijk is te vergelijken met het geval dat aan de orde was in HR 16 oktober 1992, in welk arrest aansprakelijkheid van de werkgever werd aanvaard, aangezien, aldus het middel, in gemoede toch niet kan worden volgehouden dat het onderhavige ongeval plaatsvond tijdens gewoon, tot de privé-sfeer behorend, woon-werk verkeer dat geen enkele bijzondere relatie heeft met de bedrijfsuitoefening; in dat verband wijst het middel erop dat sprake was van verkeer "in de tijd van de baas", die een reisurenvergoeding betaalde en compensatie met werkuren toestond ingeval de reistijd en de werktijd tezamen de 11 1/2 uur overschreed. Subsidiair betoogt het middel dat indien inderdaad met de Rechtbank moet worden geoordeeld dat sprake was van een aan [eiser] in de privé-situatie overkomen ongeval, de Rechtbank eraan heeft voorbijgezien dat in casu sprake is van bijzondere, tot aansprakelijkheid van de werkgever leidende, omstandigheden als bedoeld in HR 22 januari 1999, gelet op de exceptionele afstand tussen de woonplaats van [eiser] (en zijn collega's) en de vestigingsplaats van [verweerster] enerzijds en de plaats waar het werk moest worden uitgevoerd anderzijds. In de gegeven omstandigheden had de werkgever zodanige aanwijzingen aan [eiser] moeten verstrekken dat sprake zou zijn geweest van verzekerd vervoer, terwijl de werkgever overigens ook eigen maatregelen daartoe had kunnen treffen. Aldus het middel dat erop wijst dat een "urenvergoeding" als in casu verstrekt ziet op financiële compensatie van tijd en niet op compensatie van verzekeringspremie. Het derde middel klaagt dat de Rechtbank geen enkele aandacht heeft besteed aan de door [eiser] uitdrukkelijk aangevoerde essentile stelling inhoudende dat het, zoals de Rechtbank Zutphen overwoog in haar vonnis dat heeft geleid tot HR 12 januari 2001, rechtens onaanvaardbaar zou zijn dat bij een ongeval met een vervoermiddel dat in het kader van het werk wordt gebruikt, de bestuurder, anders dan de overige inzittenden/collega-werknemers, als enige van vergoeding van zijn schade verstoken zou blijven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8dafaeef3b8da96763dcbca5ffe482e700bfe3ae1bee512840819e7d944452c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8dafaeef3b8da96763dcbca5ffe482e700bfe3ae1bee512840819e7d944452c, en de alinea staat in dat document op bytes 25886 tot 28391.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d8dafaeef3b8da96763dcbca5ffe482e700bfe3ae1bee512840819e7d944452c | shasum -a 256