Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 140 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2115.

2.44 In rov. 4.22 ligt besloten, dat, voorzover de in nr. 2.43 bedoelde bepalingen al door art. 2:207c BW worden bestreken(20) en voorzover dit al hun nietigheid tot gevolg heeft,(21) zij volgens het hof niet in dusdanig onverbrekelijk verband met de rest van het overeengekomene staan, dat hun nietigheid op grond van art. 3:41 BW tot algehele nietigheid van de intentieverklaring, de leningsovereenkomst en de optie-overeenkomst leidt. Mede in het licht van art. 10 van de optie-overeenkomst (dat bepaalt dat bij onverbindendheid van een of meer bepalingen de overige bepalingen in stand blijven) en het door Crescendo in de feitelijke instanties ingenomen standpunt dat nietigheid van een of meer van de genoemde bepalingen de getroffen arrangementen niet in hun essentie zou raken, is het oordeel van het hof naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Overigens kan het vanwege zijn verwevenheid met de feiten in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Hierop stuiten de subonderdelen 5.1-5.2 af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e, en de alinea staat in dat document op bytes 67076 tot 68093.