Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002
Alinea 61 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2115.
2.3 Subonderdeel 1.1 strekt ten betoge dat het hof het in rov. 4.10 vervatte oordeel ten onrechte of op grond van een tekortschietende motivering als ten overvloede heeft aangemerkt. Als het in rov. 4.10 vervatte oordeel rechtens onjuist is, zou immers rov. 4.9 niet begrijpelijk zijn. In rov. 4.9 oordeelde het hof dat het aan de STE (en, in beroep, aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven) is om over de verlening van een verklaring van geen bezwaar (hierna: vvgb) als bedoeld in art. 16 lid 4 Wte 1995 te beslissen en dat er geen aanleiding is reeds thans als vaststaand aan te nemen dat een vvgb desverzocht aan Crescendo zal worden onthouden. De subonderdelen 1.2-1.3 verdedigen een (richtlijnconforme) uitleg van art. 16 Wte 1995, op grond waarvan Crescendo een vvgb in verband met het achterwege laten van een tijdige kennisgeving van het voornemen een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsonderneming te verwerven, niet kan worden verleend. Subonderdeel 1.4 bouwt op de subonderdelen 1.2-1.3 voort met het betoog dat, gelet op de door Bonoparti c.s. juist geachte uitleg van art. 16 Wte 1995, rov. 4.9 zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e, en de alinea staat in dat document op bytes 21750 tot 22934.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e | shasum -a 256