Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 74 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2115.

2.10 In het licht van de wetsgeschiedenis(11) is er geen twijfel over mogelijk dat het verzoek om een vvgb de nationale uitwerking van de door de Richtlijn voorgeschreven kennisgeving is. Daarop wijst ook de samenval van de beslistermijn van 13 weken van art. 16 lid 5 Wte 1995 en de termijn van drie maanden na kennisgeving, waarbinnen de bevoegde nationale autoriteit zich op grond van art. 9 lid 1 Richtlijn tegen het voornemen kan verzetten. De Wte 1995 zwijgt over een aan het verzoek voorafgaande kennisgeving. In het systeem van de Wte 1995 zou een dergelijke kennisgeving ook niet passen. De verhouding tussen de "buitenwettelijke" kennisgeving en het "wettelijke" verzoek zou tot onontwarbare knopen (en mogelijk zelfs tot strijd met de Richtlijn) leiden. Zo zou een "buitenwettelijke" kennisgeving de oppositietermijn van de Richtlijn mogelijk al doen ingaan. Zou de bevoegde autoriteit die termijn ongebruikt laten verstrijken, dan zou het vereiste van een vvgb vervolgens niet (althans niet in overeenstemming met de Richtlijn) aan betrokkene kunnen worden tegengeworpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e, en de alinea staat in dat document op bytes 30713 tot 31810.