Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002
Alinea 92 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2115.
Dat de partij die het voorlopig getuigenverhoor heeft gemist, de daarin gehoorde getuigen geen vragen heeft kunnen stellen en niet tot de in art. 218 lid 2 (oud) Rv bedoelde contra-enquête in de gelegenheid is gesteld, is op zichzelf onvoldoende grond de afgelegde verklaringen buiten beschouwing te laten. Een en ander is immers inherent aan de situatie waarin de bij een latere procedure betrokken partij niet bij het voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd is geweest, maar waarin art. 219 lid 2 (oud) Rv desondanks niet bij voorbaat iedere bewijskracht aan de afgelegde verklaringen ontzegt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e, en de alinea staat in dat document op bytes 43902 tot 44526.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e | shasum -a 256