Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002
Alinea 94 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2115.
2.18 Naar mijn mening is het regime van art. 219 (oud) Rv niet met hogere rechtsbeginselen (in het bijzonder die welke in art. 6 EVRM zijn verankerd) in strijd. Ook het beginsel van "equality of arms" acht ik niet geschonden. Art. 219 (oud) Rv doet aan dat beginsel juist recht. De bepaling onderkent dat aan verklaringen die buiten aanwezigheid (of zelfs buiten medeweten) van een of meer van de bij de latere procedure betrokken partijen zijn verkregen, niet steeds eenzelfde betekenis kan worden toegekend als aan verklaringen, afgelegd in een voorlopig getuigenverhoor, waarbij alle partijen waren betrokken. De bepaling laat de rechter ruimte om dit verschil in betekenis bij de waardering van het bewijs te verdisconteren en om de afgelegde verklaringen in het eerste geval zonodig buiten beschouwing te laten. Subonderdeel 2.1 faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e, en de alinea staat in dat document op bytes 44989 tot 45842.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f3f8404b23ee9ede0da812b7cf7d08fdba3d99bcd72d75472db1d6a6fe9ac30e | shasum -a 256