Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 130 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2117.

4.23.3 Reeds onder het oude recht heeft de Hoge Raad in bepaalde gevallen smartengeld gegrond op "aantasting van de persoon".(16) Daarmee is m.i. niet per se gezegd dat in feite reeds werd geanticipeerd op art. 6:106 lid 1 onder b BW. De gevallen waarin zulks geschiedde pasten in de opvattingen in binnen- en buitenland dat in dergelijke gevallen vergoeding aangewezen is. Staat men haar niet toe, dan zou in feite niets tegen dergelijke handelingen kunnen worden ondernomen. De vraag of in de rechtspraak reeds volledig werd geanticipeerd op hetgeen thans is geregeld in art. 6:106 lid 1 onder b BW behoeft op de hierna te ontwikkelen gronden m.i. geen beantwoording. Voldoende is thans te constateren dat in voorkomende gevallen, waarin toekenning van smartengeld (in hoge mate) wenselijk werd geacht, de mogelijkheid reeds bestond te grijpen naar het wapen van "aantasting in de persoon".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8b4d79eb45eff2fe1ad52074c7a7b3995e567ad1a40958296a93adf9032d7269. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8b4d79eb45eff2fe1ad52074c7a7b3995e567ad1a40958296a93adf9032d7269, en de alinea staat in dat document op bytes 36773 tot 37679.