Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2146.

11) Ik geef enkele voorbeelden, die overigens op de in deze zaak ter beoordeling staande casus lijken: het zal meestal zo zijn dat als een huurder met goedvinden van de verhuurder ook bepaalde aan de verhuurder toebehorende onroerende aanhorigheden (na)bij het gehuurde mag gebruiken, dit gebruiksrecht onmiddellijk verband houdt met de positie van de betrokkene als huurder, en dus valt binnen de door de Hoge Raad gegeven maatstaf(9); maar er zijn omstandigheden denkbaar waaronder dat anders is. Zo kan het zijn dat er tussen de partijen, laten we zeggen: twee in naast elkaar gelegen ruimtes werkzame en elkaar "aanvullende" ondernemingen, een huurrelatie en tegelijk een samenwerkingsverhouding bestaat, en dat het gebruiksrecht van bepaalde aanhorigheden (opslagruimte, bijvoorbeeld) kennelijk in de context van de samenwerkingsverhouding moet worden geplaatst, en niet in de context van de tegelijkertijd geldende huurrelatie. Of er kunnen tussen verhuurder en huurder vriendschaps- of familiebetrekkingen bestaan die kennelijk de "oorzaak" vormen voor bepaalde prestaties die de huurder ten laste van de verhuurder geniet (en die die verhuurder aan een willekeurige "gewone" huurder niet zou toestaan)(10).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7bddf63d11be03129018ab87477fc968fd30dd7439b0c41205fee6c85db7e66e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7bddf63d11be03129018ab87477fc968fd30dd7439b0c41205fee6c85db7e66e, en de alinea staat in dat document op bytes 12480 tot 13708.