Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 204 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2149.

12.6 Ik stel voorop dat de Rechtbank gelijk zou hebben gehad wanneer zij zou hebben geoordeeld dat de vordering - voorzover deze betrekking heeft op de periode van het volledig ontbreken van bewustheid(90) - niet door (een van) de erven kon worden geëntameerd. Immers kon niet namens [betrokkene] een vordering worden ingesteld. De Rechtbank heeft evenwel niet aldus geoordeeld; zie onder 2.16.1.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/88f3fc11f09cc0c009a567c83c2eaf2cbfec226e421d4399ba380ba48b8b5207. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 88f3fc11f09cc0c009a567c83c2eaf2cbfec226e421d4399ba380ba48b8b5207, en de alinea staat in dat document op bytes 57959 tot 58369.