Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 54 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2176.

2.7. De klacht vloeit kennelijk(13) voort uit de opvatting dat het voorstel van [betrokkene 1] (inhoudende dat [E] BV i.o. in plaats van [C] BV als koopster zou optreden) beschouwd moet worden als een tegenvoorstel waarmee het oorspronkelijke aanbod van eisers werd verworpen (vgl. art. 6:225 BW). Deze opvatting vindt geen steun in de gedingstukken waaraan de cassatierechter gebonden is (art. 419 Rv). In het algemeen geldt dat, wanneer op hoofdpunten overeenstemming is bereikt en de fase van aanbod en aanvaarding in zoverre is afgesloten, een voorstel tot wijziging van het eerder overeengekomene een nieuwe fase in de onderhandelingen inluidt. Een voorstel tot wijziging doet niet, in elk geval niet zonder meer, datgene teniet waarover in een eerder stadium overeenstemming was bereikt; hetzelfde geldt voor de verwerping van zo'n wijzigingsvoorstel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7b033ca2e8b1937717919ebb1aa01fea608e809b1cb752df7c4e4dce806e13b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7b033ca2e8b1937717919ebb1aa01fea608e809b1cb752df7c4e4dce806e13b6, en de alinea staat in dat document op bytes 25791 tot 26662.