Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2380.

2.3 Uit het vorenstaande volgt dat de opdrachtgever die een huis ter verkoop heeft gegeven aan een makelaar, in beginsel niet is gebonden aan een koopovereenkomst die door deze makelaar met een derde wordt gesloten, tenzij hij de makelaar daartoe volmacht heeft gegeven of hij de koop bekrachtigt, dan wel de schijn daartoe wekt. Doet geen van deze gevallen zich voor, dan is de principaal toch gebonden als, kort gezegd, tegenover de derde de aan de principaal toe te rekenen schijn van volmacht is gewekt (art. 3:61 lid 2 BW). Over de vraag wanneer daarvan sprake is en wat daarvoor nodig is, heb ik mij uitvoerig uitgesproken in mijn conclusie voor het arrest Nacap/Kurstjens.(8) Kort gezegd komen deze beschouwingen op het volgende neer. Het recht op zelfbeschikking en, voorzover een beperkte volmacht in een openbaar register (zoals met name het handelsregister) is ingeschreven, het publiciteitsbeginsel, brengen mee dat iemand in beginsel niet door een daartoe onbevoegde vertegenwoordiger tegenover een derde kan worden gebonden. In het verkeersbelang biedt het vertrouwensbeginsel hieraan echter tegenwicht. In welke vorm dient de afweging tussen deze beginselen gestalte te krijgen? De in de thans geldende wet neergelegde leer kiest daartoe het toedoenbeginsel, dat in de kern is geworteld in het (niet subjectief, maar geobjectiveerd op te vatten) autonomiebeginsel. De vraag is echter of dit toedoenbeginsel de eisen van onze hedendaagse samenleving nog voldoende kan weerspiegelen zonder onherkenbaar te worden opgerekt. Het toenemende aantal zakelijke transacties, de gecompliceerdheid en ondoorzichtigheid van de organisaties die aan het maatschappelijk en zakelijk verkeer deelnemen en de sterk verhoogde snelheid waarmee dat verkeer zich afspeelt, kortom: de eisen van onze hedendaagse westerse maatschappij, brengen m.i. mee dat onder omstandigheden iemand ook door een daartoe onbevoege vertegenwoordiger kan worden gebonden op grond van feiten omstandigheden waarvoor hij in verhouding tot de derde het risico dient te dragen. In zoverre kan niet alleen een parallel worden getrokken met (i) de afweging die moet worden gemaakt bij de totstandkoming van overeenkomsten buiten vertegenwoordigingssituaties (artt. 3:33 en -35 BW), maar ook met (ii) ontwikkelingen in het contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, dat met de onderhavige vraag nauw is verbonden. Voor deze gedachte kan verder steun worden geput uit (iii) recente literatuur(9), (iv) het "richtlijnenstelsel" uit het rechtspersonenrecht, (v) buitenlandse jurisprudentie, (vi) recente rechtspraak van eigen bodem in geval van een ondoorzichtige bevoegdhedenstructuur van de achterman of van een aanstelling in een specifieke functie en/of een bepaalde hoedanigheid van de onbevoegd handelende tussenpersoon, die geschikt is om bij de derde het vertrouwen te wekken dat die tussenpersoon wél bevoegd is alsmede, last but not least, (vii) de wetgevende historie van art. 3:61 BW zelf en de in Invoeringswet gemaakte opmerking dat een toedoen ook kan worden aangenomen zonder dat aan de achterman een verwijt valt te maken van zijn opstelling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee31a4b4cf843fdf62a63731c99683eb524d2831a11d93c67411a436d551104e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee31a4b4cf843fdf62a63731c99683eb524d2831a11d93c67411a436d551104e, en de alinea staat in dat document op bytes 13737 tot 16892.