Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2380.

2.4 In de zaak Nacap/Kurstjens is tegen de achtergrond van de conclusie sprake van een opvallende reeks: in alledrie de instanties werd de derde beschermd, maar telkens op grond van een enigszins andere constructie. De rechtbank oordeelde in de kern en zonder omwegen dat een onbevoegd vertegenwoordigde onderneming het risico diende te dragen van het tekortschieten van haar vertegenwoordiger; het hof redeneerde eveneens op grond van de risicoleer maar paste deze toe in de vorm van art. 3:61 lid 2 BW en de Hoge Raad formuleerde 's hofs overwegingen eerst in termen van het toedoenbeginsel om vervolgens te oordelen dat dit - aldus opgevatte - oordeel niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende was gemotiveerd. Aangenomen moet worden dat de Hoge Raad daarmee impliciet te kennen heeft gegeven dat hij (vooralsnog?) wenst vast te houden aan een invulling van art. 3:61 lid 2 BW door uitsluitend het toedoenbeginsel(10), al ligt in zijn arrest wel besloten dat hij bereid is dit beginsel vér op te rekken. In zijn noot onder het arrest in de NJ oordeelde Van Schilfgaarde:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee31a4b4cf843fdf62a63731c99683eb524d2831a11d93c67411a436d551104e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee31a4b4cf843fdf62a63731c99683eb524d2831a11d93c67411a436d551104e, en de alinea staat in dat document op bytes 16912 tot 18047.