Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2380.

2.7 Na het vorenstaande zal het duidelijk zijn dat ik het met dit pleidooi van harte eens ben. Maar de noodzakelijke consistentie in de rechtspraak van de Hoge Raad brengt waarschijnlijk mee dat een ommezwaai zoals door Ernes en mij bepleit (en door Van Dunné reeds verondersteld), vooralsnog niet valt te verwachten. Wél mag men aannemen dat het toedoenbeginsel door de feitenrechters met goedkeuring van de Hoge Raad nog verder nog worden opgerekt, totdat uiteindelijk moet worden erkend - geholpen door het feit dat inmiddels voldoende afstand tot het tijdstip van invoering van het Nieuw BW is verkregen - dat de stand van zaken niet veel anders is geworden dan zij was met betrekking tot het begrip 'schuld' als grondslag van toerekening voor een onrechtmatige daad in de zin van art. 1401 BW (oud). Dit is vanwege zijn inmiddels hogelijk fictieve (geobjectiveerde) karakter bij de invoering van het thans geldende recht in art. 6:162 lid 3 gesplitst in - kort gezegd - subjectieve schuld en risico. Naar ik aanneem zal het op den duur ook zo gaan met de toerekening van onbevoegd verrichte vertegenwoordigingshandelingen. Als opmaat zou kunnen dienen dat de Hoge Raad gaandeweg zijn arresten niet meer zo scherp formuleert in termen van een toedoen van de achterman, maar de grondslag voor toerekening in het midden laat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee31a4b4cf843fdf62a63731c99683eb524d2831a11d93c67411a436d551104e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee31a4b4cf843fdf62a63731c99683eb524d2831a11d93c67411a436d551104e, en de alinea staat in dat document op bytes 21711 tot 23054.