Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2386.

19) Zoals in alinea 15 hiervóór aangegeven is voor het instellen van hoger beroep ingevolge art. 270 Rv NA niet meer vereist dan een ter griffie afgelegde verklaring dat men van dit (rechts)middel gebruik wil maken. De wet schrijft niet voor dat daarbij wordt aangegeven wie de appellant als geïntimeerde(n) aanmerkt. Dat strookt ook met de uitgangspunten van het Nederlands-Antilliaanse procesrecht, zoals die zojuist in grote lijnen werden beschreven: in die gevallen waarin dat niet vanzelfsprekend is, kan de vraag wie precies als geïntimeerde moet worden aangemerkt voor een deugdelijk opgeleide rechtshulpverlener al (te) moeilijk zijn(14). Voor procespartijen zonder daarop gerichte opleiding of ervaring geldt dat dan a fortiori. Aan de strekking van art. 270 is daarom voldaan als de verklaring van appel er geen twijfel over laat bestaan tegen welk vonnis het hoger beroep gericht is; de appellant hoeft, zeker in de verklaring van appel, niet duidelijk te maken tegen welke personen als geïntimeerden het hoger beroep wordt ingesteld. Namens [eiseres] wordt in dit verband terecht een beroep gedaan op HR 8 mei 1992, NJ 1992, 497. Zowel de tekst als de strekking van art. 270 zouden ook moeilijk met een andere uitleg van de bepaling te verenigen zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/deaa7c363450f77a7be805beefe4d5d152f0d132acddfcde3204ae45870e2851. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt deaa7c363450f77a7be805beefe4d5d152f0d132acddfcde3204ae45870e2851, en de alinea staat in dat document op bytes 17330 tot 18611.