Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2386.

ondubbelzinnig toe strekte dat slechts van het vonnis van de eerste aanleg tegen de overige (weder)partijen werd geappelleerd (en zou rov. 4.5 wèl zo moeten worden begrepen dan zou dat oordeel volgens mij bij lange na het minimum-niveau van begrijpelijkheid niet halen). Dat geldt dan in versterkte mate wanneer men, zoals hiervóór voor juist werd gehouden, ervan uitgaat dat een memorie van grieven weliswaar voor de strekking van een appelverklaring op de voet van art. 270 Rv NA niet beslissend is, maar dat áls er een memorie is ingediend, die memorie bij de uitleg van die verklaring wel gewicht in de schaal legt. Gelezen in samenhang met de memorie van grieven is immers in uitgesproken mate onaannemelijk dat [eiseres] zou hebben beoogd, haar appel te beperken tot de procespartijen ten opzichte waarvan zij in eerste aanleg geheel in het gelijk was gesteld (nl. de ouders van [verweerder]); terwijl zowel het opschrift als de inhoud van de memorie van grieven op z'n minst sterk de indruk wekken dat het appel alléén tegen [verweerder] gericht was (en dus niet eens mede tegen de ouders van [verweerder]).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/deaa7c363450f77a7be805beefe4d5d152f0d132acddfcde3204ae45870e2851. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt deaa7c363450f77a7be805beefe4d5d152f0d132acddfcde3204ae45870e2851, en de alinea staat in dat document op bytes 26116 tot 27249.