Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002

Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2762.

6. De strafrechter beoordeelt zelfstandig of, en zo ja, in welke omvang, een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel moet worden opgelegd. Indien de rechter aan een veroordeelde een betalingsverplichting oplegt, schrijft art. 24d, eerste lid, Sr voor dat hij daarbij beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast, voor het geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt. Ingevolge art. 36e, j° 24d Sr kan de rechter vervangende hechtenis opleggen van ten hoogste zes jaar. De rechter is voor het overige niet gebonden aan enigerlei wettelijk vastgelegde verdeelsleutel bij de bepaling van de vervangende hechtenis behoudens het in art. 18, eerste lid, Sr aangeduide algemeen minimum van één dag (HR 29 juni 1999, NJ 1999, 620). Hieruit volgt dat de stelling van het middel dat er evenredigheid dient te bestaan tussen de hoogte van de opgelegde maatregel en de vervangende hechtenis, niet op de wet is gebaseerd.(1)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb5ee48d80fa0c2194970ec18f1d744df47879928adbd65001f9d39bab93679d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb5ee48d80fa0c2194970ec18f1d744df47879928adbd65001f9d39bab93679d, en de alinea staat in dat document op bytes 6115 tot 7128.