Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE2762.

7. De vervangende hechtenis zelf is niet punitief, maar afschrikwekkend bedoeld, om er zeker van te zijn dat degene aan wie een betalingsverplichting is opgelegd daaraan zal beantwoorden, 'aangenomen dat hij daartoe in staat moet worden geacht' (Kamerstukken II 1989-1990, 21504, nr. 3, p. 40). De wet eist niet dat de rechter bij de oplegging van het ontnemingsbedrag of bij de bepaling van de grootte van het uit dien hoofde te betalen bedrag, rekening houdt met de draagkracht van de verdachte. De rechter dient echter volgens de rechtspraak van de Hoge Raad in het geval dat aannemelijk is dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijkheid in de toekomst niet zal hebben, gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid ingevolge art. 36e, vierde lid, Sr (vgl. HR 10 november 1998, NJ 1999, 137 en HR 7 mei 1996, NJ 1997, 404). Dit vierde lid bepaalt dat de rechter het te betalen bedrag lager kan vaststellen dan het geschatte voordeel. De rechter mag niet ongemotiveerd aan een draagkrachtverweer met betrekking tot het ontnemingsbedrag voorbijgaan (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1997, 404).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb5ee48d80fa0c2194970ec18f1d744df47879928adbd65001f9d39bab93679d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb5ee48d80fa0c2194970ec18f1d744df47879928adbd65001f9d39bab93679d, en de alinea staat in dat document op bytes 7148 tot 8264.