Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Alinea 135 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3269.

8.3 De in art. 8, lid 1, onderdeel c, Wet IB 1964 vervatte vrijstelling is een codificatie van eerdere jurisprudentie.(13) In HR 16 maart 1932, B. nr. 5188 werd beslist dat kwijtschelding geen bedrijfsvoordeel was onder de Wet op de inkomstenbelasting 1914 indien de rechten niet voor verwezenlijking vatbaar waren. In HR 6 april 1960, BNB 1960/151, gewezen onder vigeur van het Besluit op de inkomstenbelasting 1941, werd geoordeeld dat de vrijstelling slechts gold voor zover geen recht meer bestond op verliescompensatie. Daarmee werd voorkomen dat een schuldenaar het recht op compensabele verliezen zou behouden terwijl hij die verliezen ten gevolge van de kwijtschelding uiteindelijk niet had geleden.(14) In art. 8, lid 1, onderdeel c, Wet IB 1964 is deze voorwaarde zo uitgewerkt dat de vrijstelling slechts geldt voor het deel van de kwijtscheldingsvoordeel dat het overige verlies van het jaar zelf en de compensabele verliezen uit eerdere jaren overtreft. Indien in het jaar zelve overigens geen verlies doch winst is gemaakt, komen de oude verliezen eerst ten laste van het kwijtscheldingsvoordeel en pas daarna ten laste van de normale winst.(15)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3c0ca2e6ee8d383ecf47c74d709da96ad7e3a8a764e0300d89dd119dfa89e884. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3c0ca2e6ee8d383ecf47c74d709da96ad7e3a8a764e0300d89dd119dfa89e884, en de alinea staat in dat document op bytes 52224 tot 53397.