Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002
Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3345.
2.2 De klacht betoogt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, te weten de opvatting dat met de "aard van de vordering" als omschreven in art. 228 lid 2 aanhef en sub a Rv. is bedoeld dat de verzoeker reeds bij zijn verzoek moet aangeven wat de grondslag van zijn vordering zal zijn in een vervolgprocedure. De klacht gaat er van uit dat de rechter - in het licht van de nauwe verwantschap met het voorlopig getuigenverhoor - nauwelijks enige discretionaire bevoegdheid toekomt ten aanzien van de toewijzing van een verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea645cb6c895ae3e08c106f054261c42e8e286e8d3752c84f27f71fee49d71d6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea645cb6c895ae3e08c106f054261c42e8e286e8d3752c84f27f71fee49d71d6, en de alinea staat in dat document op bytes 10661 tot 11255.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea645cb6c895ae3e08c106f054261c42e8e286e8d3752c84f27f71fee49d71d6 | shasum -a 256