Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3347.
9. Bij de bespreking van het onderhavige middelonderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 1:402 lid 1 BW houdt in dat de rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, tevens de ingangsdatum van de aldus vastgestelde verplichting bepaalt. Dit wetsartikel is een uitdrukking van de rechterlijke vrijheid in onderhoudszaken; de rechter is vrij rekening te houden met de omstandigheden die hij van belang acht. In de parlementaire geschiedenis wordt in dit verband gesproken van een discretionaire bevoegdheid. Omdat de rechterlijke uitspraak de verplichting tot onderhoud niet schept, kan de rechter de dag met ingang waarvan de (gewijzigde) alimentatie verschuldigd is bepalen op een datum die ligt vóór de datum van zijn uitspraak. Vereist is daarbij vanzelfsprekend wél dat de onderhoudsverplichting over het aan de uitspraak voorafgaande tijdvak voldoet aan de wettelijke maatstaven; ingeval het gaat om het toekennen van een alimentatie aan een gewezen echtgenoot, geldt dan ook de restrictie dat de rechter deze alimentatie niet kan doen ingaan voordat het huwelijk is ontbonden en derhalve niet vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (zie HR 10 september 1999, NJ 1999, 795). Als mogelijke ingangsdata die liggen vóór de datum van de uitspraak komen het meest in aanmerking de datum van het inleidend verzoekschrift en de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn. Bij zijn keuze voor een bepaalde datum zal de rechter in aanmerking nemen in hoeverre de alimentatieplichtige rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de onderhoudsverplichting op dat tijdstip zou ingaan. In procedures tot wijziging van de alimentatie bepaalt de rechter, zoals in casu de Rechtbank deed, de over het verleden verschuldigde alimentatie veelal op het bedrag dat in feite is betaald of verhaald. Deze praktijk kan materieel neerkomen op een (aanzienlijke) vermindering met ingang van een datum die ligt vóór de datum van het inleidend processtuk ingeval de alimentatieplichtige niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan; ingeval de alimentatieplichtige daarentegen, zoals in casu, wel aan zijn verplichtingen is blijven voldoen, zal bedoelde praktijk ertoe leiden dat de verlaging van de alimentatie in feite pas ingaat op de datum van de rechterlijke uitspraak zodat de alimentatiegerechtigde niet kan worden geconfronteerd met een vordering tot terugbetaling. Zie over dit alles Asser-De Boer, 1998, nr. 1049, en de losbladige Personen en Familierecht (Wortmann), art. 402, aant. 1; zie voorts mijn ambtgenoot Huydecoper in zijn conclusie voor HR 1 februari 2002, NJ 2002, 185. In de ook door Huydecoper (ten dele) geciteerde toelichting op art. 1:402 BW is benadrukt dat de nodige terughoudendheid is geboden bij het bepalen van een ingangsdatum die ligt vóór de datum van het inleidend processtuk, terwijl daar voorts wordt betoogd - zoals ook het middel aangeeft - dat het in de regel onredelijk is met terugwerkende kracht een alimentatie te verlagen (Parl. Gesch. Boek 1, p. 784, T.M. bij art. 1.17.1.11):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/16a74eb9cfe0fc3bf9099ca2c76fae073972c97b49f9e0e506e9951d60b7e8fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 16a74eb9cfe0fc3bf9099ca2c76fae073972c97b49f9e0e506e9951d60b7e8fd, en de alinea staat in dat document op bytes 11974 tot 15139.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/16a74eb9cfe0fc3bf9099ca2c76fae073972c97b49f9e0e506e9951d60b7e8fd | shasum -a 256